Hindoestaanse contractarbeiders in Suriname, 1873-1916
Hindoestaanse contractarbeid: mijn familiegeschiedenis
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 ontstond in Suriname een groot tekort aan arbeidskrachten. Daarom werden tussen 1873 en 1916 ruim 34.000 Hindoestanen uit Brits-Indië naar Suriname gehaald om als contractarbeiders , op de plantages te werken. Velen kwamen uit arme boerengezinnen, waren landloos of zochten een uitweg uit moeilijke persoonlijke omstandigheden.
Ook mijn overgrootouders maakten deze reis. Mijn overgrootmoeder, de moeder van mijn nani (oma van moederszijde), arriveerde in Suriname met de Lalla Rookh, het eerste schip dat Hindoestaanse contractarbeiders vanuit India naar Suriname bracht. Van mijn moeder hoorde ik verhalen over haar sterke en onafhankelijke karakter. Ze rookte, was haar tijd vooruit en stond bekend als een echte, zelfstandige 'tante'.
Hiernaast op de foto mijn overgrootmoeder uit India
Een nieuw bestaan in Suriname
Contractarbeiders tekenden doorgaans voor vijf jaar arbeid op de plantages. Daarna konden zij kiezen voor een nieuw contract of terugkeer naar India. Veel mensen besloten te blijven. De terugreis was lang en kostbaar, en de herinneringen aan de zware overtocht, met ziekte, sterfgevallen en beperkte medische zorg, speelden daarbij een belangrijke rol. Bovendien kregen blijvers vaak een stuk grond en een toelage van honderd gulden om een nieuw bestaan op te bouwen.
Door de koloniale verdeel-en-heerspolitiek leefden Hindoestaanse contractarbeiders grotendeels gescheiden van de Europese en Creoolse bevolkingsgroepen. De onbekende omgeving, speciale regelgeving en sociale spanningen zorgden ervoor dat velen zich geïsoleerd voelden. Tegelijkertijd ontstond hierdoor een sterke onderlinge verbondenheid en een diep verlangen om de eigen taal, religie, tradities en cultuur te behouden en door te geven aan volgende generaties.
Omdat er destijds aanzienlijk meer mannen dan vrouwen uit India naar Suriname kwamen, namen vrouwen binnen de gemeenschap een bijzondere en sterke positie in. Dit droeg bij aan de ontwikkeling van zelfstandige en veerkrachtige vrouwen die hun eigen keuzes durfden te maken.
Mijn tante Sita heeft daarom, naast de Creoolse tante Joosje en de Javaanse tante Julie, een ereplaats gekregen in mijn Sorgh & Hoop kook-cultuurboek. Daarmee eer ik haar kracht, doorzettingsvermogen en vindingrijkheid tijdens een moeilijke periode van schaarste, waarin zij met beperkte middelen wist te zorgen voor haar gezin en gemeenschap.
Reactie plaatsen
Reacties